zaterdag 22 november 2014

408. Over Zwarte Piet, discriminatie en identiteit


Sinterklaas en Zwarte Piet, dag en nacht, licht en donker, wit en zwart, goed en kwaad, enz., het zijn tegenstellingen waardoor er groei en ontwikkeling mogelijk is. Daar is niks mis mee, het is de basis van ons leven. De volksfeesten zijn er uit ontstaan en een van de tradities binnen onze cultuur is het Sinterklaasfeest.
Punt is nu dat sommige mensen met een kleur zich sterk identificeren met Zwarte Piet. De ervaringen met racisme, discriminatie, een mogelijk slavernijverleden van voorouders en allerlei opgekropte frustraties, worden hierop geprojecteerd. Eigenlijk is dit hele gedoe rondom Zwarte Piet een identiteitsprobleem. De mensen die zich daar heel erg druk over maken (van beide kampen) hebben een conflict met hun identiteit. Wat zijn mijn wortels? Wie en wat ben ik? Wat zijn mijn onzekerheden? Wat wil ik in het leven en wat kan ik daarvan in de toekomst waarmaken? Zowat iedere Nederlander heeft wel een identiteitsprobleem. Voor veel mensen van buitenlandse afkomst, zwart, bruin of licht getint, is dat nog extra het geval. Men is hier niet echt welkom, voelt zich vaak niet goed thuis, hoort er niet bij en heeft ervaringen met discriminatie. Afzetten tegen een Zwarte Piet lost niets op natuurlijk. Als die er niet meer is, richten de frustraties zich op iets anders.
Hetzelfde geldt voor de mensen die hier hun wortels hebben, de autochtonen.
Discriminatie zit in ieder mens besloten en heeft te maken met een oude diepgewortelde en vaak onbewuste angst voor het vreemde dat als bedreigend wordt ervaren. Het is ons zo eigen geworden dat wij racisme en discriminatie niet meer als zodanig herkennen in onszelf en in onze gedachten en daden. Feit is in ieder geval dat mensen met een kleur daar vervelende ervaringen mee hebben.
Inleving, luisteren naar elkaar, het zich bewust worden van de eigen ingesleten gedachtepatronen, elkaar proberen te begrijpen, samen naar oplossingen zoeken. Ja, soms is het gewoon nodig een stapje terug te zetten om vervolgens samen twee stappen vooruit te kunnen gaan.


zaterdag 3 mei 2014

407. (A)symmetrie en de Venus van Botticelli

Symmetrie wordt vaak gelinkt aan schoonheid. Mensen en dieren zoeken vaak een partner die een symmetrisch gezicht of lichaam heeft. Hoe meer symmetrie, hoe aantrekkelijker wij iemand blijken te vinden, al zou je ook kunnen stellen dat een gezicht er niet echt interessanter door wordt. De meeste mensen hebben een asymmetrisch gezicht. Je kunt dat zien door met een handspiegel voor een grote spiegel te gaan staan en in de handspiegel te kijken. Je gezicht wil dan nog wel eens afwijken van je vertrouwde beeld. De omgeving ziet overigens altijd dit omgekeerde beeld. 
Ook een asymmetrisch gelaat kan erg mooi zijn. Een sprekend voorbeeld is het schilderij uit de Italiaanse renaissance “de geboorte van Venus” van Botticelli: een vrouw met een prachtige uitstraling en als je goed kijkt, een behoorlijk asymmetrisch gelaat. Om dit duidelijk te maken heb ik een beeld van de linkerzijde geconstrueerd en een beeld van de rechterzijde (zie de afbeelding hieronder). De linkerzijde zou je enigszins ingetogen kunnen noemen, naar binnen gekeerd en ietwat droevig. De rechterzijde lijkt meer open, onbevangen en krachtig. 

In het gezicht van een mens zijn vaak twee verschillende basistrekken te onderscheiden, zoals een vrolijke en een trieste kant, braafheid en ondeugd, enzovoorts. Soms overheerst  ƩƩn enkele stemming in beide zijden van het gezicht.



vrijdag 2 mei 2014

406. Een tamme merel (2)

Dit is het vervolg van blog 405: “Een tamme merel (1)”.

Vanochtend kwam het merelvrouwtje bij me op bezoek, dit keer in gezelschap van haar mannetje. Met het vrouwtje heb ik intussen een vertrouwensband opgebouwd. Ze komt me roepen, vliegt op een muurtje bij het raam en kijkt van daaruit de huiskamer in waar ik achter mijn bureau zit te werken. Als ik opsta vliegt ze naar de keukendeur, want daar kom ik altijd naar buiten.

Het mannetje bleef in eerste instantie op de achtergrond, op ruim een meter afstand. Toen ik het brood in stukjes had gebroken en voor me op de grond had gelegd, begon het vrouwtje ervan te eten. Het mannetje wachtte tot zijn partner was uitgegeten, kwam vervolgens tot bij mijn voeten en at de rest van het brood op. Zomaar meteen voor de eerste keer dichtbij, zonder dat ik hem dat ooit aangeleerd heb. Ik had dit nog wel eens verwacht, maar niet in dit stadium en zonder voorbereiding.
Je zou kunnen zeggen, dat hij dit gedrag van zijn vrouwtje heeft afgekeken, maar romanticus als ik ben, hou ik het erop dat het vrouwtje dit met haar partner heeft gecommuniceerd, zoiets als: “Voor hem hoef je niet bang te zijn”. Ik zag het mannetje nu van heel dichtbij. Het is een prachtige merel, glanzend diepzwart, heel krachtig, zelfverzekerd, en redelijk jong
Deze gebeurtenis brengt me weer aan het denken over hoe intelligent dieren zijn. Tsja, wat is intelligentie? Dat kunnen wij misschien voor onze mensensoort bepalen (hoewel psychologische onderzoeken soms sterk verschillende uitkomsten geven), maar als we willen onderzoeken of dieren intelligent zijn vraag ik me af of het juist is om de mens als maatstaf te gebruiken? Vanuit dierlijk standpunt bezien zouden wij er dan weleens bekaaid vanaf kunnen komen. De mens die afhankelijk is van de aarde waarop en waarvan hij leeft, die dat weet en vervolgens toch uit pure hebzucht de bodem, het water en de lucht vervuilt. De mens die steeds opnieuw achter leiders en politici aanloopt welke liegen, bedriegen en vaak intens slecht gedrag vertonen. Religies met gelovigen die in naam van God elkaar bestrijden en afmaken, enzovoorts. Is hier nog sprake van intelligentie ?


Mijn standpunt is dat de mens een diersoort is, niet meer en niet minder. Langzaam maar zeker komen wetenschappers tot de ontdekking dat andere diersoorten kwaliteiten hebben die veel gelijkenis vertonen met die van de mens, zoals: empathisch vermogen, elkaar hulp bieden, troostgedrag, ervaren van pijn en verdriet, het bezitten van geavanceerde communicatiesystemen, het kunnen oplossen van problemen, voorgevoelens hebben, dromen, vermogen tot leren en herinneren, enzovoorts. Langzaamaan gaan de dieren meer op mensen lijken en de mensen meer op dieren. De mens kan gerust van zijn voetstuk stappen, hij is niet zo uniek als hij altijd heeft gedacht.



 

woensdag 16 april 2014

405. Een tamme merel


Bij mij in de tuin woont een merel. Nou ja, wonen? Hij vindt er in ieder geval een thuis. Als de zon opkomt en ik de gordijnen open, komt hij al aanvliegen. De merel kent mij, hij kent iedereen die hier in de buurt woont. Voor mij is hij een potentiĆ«le vriend, iemand die ik op zekere dag ontmoet en vervolgens beter wil leren kennen. Ik ben benieuwd naar zijn karakter, zijn gewoontes en gedragingen. Ook wil ik zijn taal, zijn lichaamshouding en gedrag leren begrijpen, trachten te communiceren, enzovoorts. Daartoe probeer ik stilzwijgend een verbond met hem te sluiten. Hij schenkt mij zijn nabijheid en in ruil daarvoor bied ik hem voedsel aan en een mogelijkheid om te baden. Ik moet mezelf eerst even corrigeren. Het is namelijk geen ‘hem’, maar een ‘haar’, een vrouwtjesmerel. Haar wederhelft, het mannetje, ken ik ook en hij kent mij. In deze periode van het voorjaar blijft hij nog op afstand. Straks wordt dat anders, als de jonge merels eenmaal uit het ei zijn en ze voedsel nodig hebben. Mijn ervaring is dat dan ook het mannetje al snel ‘om’ is en dichtbij komt. Waarschijnlijk dichterbij dan het vrouwtje dat van nature voorzichtig van aard is. Het vrouwtje heb ik nu zover dat ze na een opbouw- en gewenningsperiode van ruim een week, bij mij brood komt eten. Dit leer ik haar door op dag 1 wat broodkruimels op de grond te strooien als ik buiten zit te eten en vervolgens nogmaals als ik de merel weer in de tuin zie. Dit herhaal ik elke dag met veel aandacht en geduld, totdat de merel na enkele dagen weet: als ik er ben komt Piet naar buiten en brengt voedsel mee. Ik blijf op enige meters afstand staan, rustig en zonder me te bewegen. Uiteindelijk pikt de merel het brood op. Iedere dag leg ik de kruimels nu enkele centimeters verder in de richting van mij. De merel is niet gek en ziet dit allemaal goed. Ze wil graag het brood, dwingt zichzelf om haar angst te overwinnen en ontvangt hierna automatisch haar beloning. In haar merelkopje slaat ze op: even iets moeilijks doen, daarna een beloning als positieve respons. Momenteel leg ik de stukjes brood op een paar centimeter van mijn op de grond uitgestrekte hand. Daar pikt ze nu het brood op. Prachtig is het om haar van zo dichtbij te aanschouwen; de veren die mooi over elkaar gedrapeerd liggen en steeds in beweging zijn, de snorharen die naast haar snavel ontspringen, het steeds alert blijven op wat er in haar omgeving gebeurt en meer. Ik heb geprobeerd om haar uit mijn open hand te laten eten, wat ook enige keren is gelukt. Wat ik opmerkte was dat zij ontzettend bang was. Om die reden heb ik dat als mijn grens gesteld. Hier houdt de fysieke nabijheid op, een kwestie van respect voor de grens die zij zelf aangeeft. Ik vroeg me af: hoe weet de merel dat een mensenhand haar kan grijpen? Zij vertrouwt me intussen redelijk goed, maar als de hand bij het brood ook maar ietsje trilt of zij het brood zelf uit mijn hand moet pikken, is ze doodsbang. Heeft ze dat al ooit eerder meegemaakt in haar relatief kortdurende bestaan? Nee, zeer waarschijnlijk niet. Deze informatie zit in haar genen besloten, het lijken me overgedragen ervaringen van vele voorouders, de wetenschap dat een mensenhand gevaarlijk kan zijn. Iets soortgelijks is er met een raam. Als ik me achter het glas bevind durven de meeste vogels tot op een halve meter afstand te komen. Kom ik naar buiten dan worden dat al gauw enkele meters en zeker als ik beweeg. Hoe weet een merel van jongs af aan wat glas is* en dat een mens niet gevaarlijk kan worden als deze zich daarachter bevindt. Dat zijn intrigerende raadsels voor mij. Wij zijn dat zonder erg normaal gaan vinden, maar erg vanzelfsprekend en verklaarbaar is het allemaal niet. Tot zover dit verhaal over de merel, ik kom er binnenkort op terug want er valt veel over te vertellen.

*   Vogels vliegen overigens per abuis wel eens tegen glas aan omdat ze daarin de blauwe lucht weerspiegeld zien.