Posts tonen met het label insecten. Alle posts tonen
Posts tonen met het label insecten. Alle posts tonen

zondag 1 september 2024

593. De oorworm

 

De oorworm is een insect dat wereldwijd voorkomt. De benaming heeft niets te maken met een worm of met een verblijf in het oor. Waarschijnlijk is de naam ontstaan in vroegere tijden toen het insect gebruikt werd als een middel tegen oorpijn. De insecten werden gedroogd, vermalen, vermengd nog met andere stoffen en in het oor gedruppeld.

De anatomie van de oorworm omvat o.a. de karakteristieke zogeheten cerci aan het achterlijf, die op een tang lijken. Ze dienen voor verdediging en communicatie. Steken of bijten doen ze overigens niet, hoogstens voel je een niet pijnlijk ‘kneepje’. Oorwormen vertonen opvallend sociaal gedrag zoals ouderlijke zorg en het leven in groepen. Ze communiceren door middel van feromonen, geluidssignalen, wrijving van hun vleugels en door het samentrekken van hun cerci. Ja, een oorworm heeft vleugels, maar hij gebruikt ze zelden of nooit. De levenscyclus omvat ei, nimf, en volwassen stadia, waarbij de vrouwtjes zorgzaamheid tonen door hun eieren te beschermen totdat ze zijn uitgekomen. Oorwormen zijn vooral in de nacht actief. Ze voeden zich voornamelijk met dood plantenmateriaal en zijn vaak te vinden op donkere vochtige plekjes in spleten, kieren en ook bloemen en planten. In de tuin kom ik ze wel tegen bij de ‘vogelnestjes’ die de Wilde peen vormt als de bloemen uitgebloeid zijn en de bloemsteeltjes zich dichtvouwen. Er ontstaat dan een beschermende holte waar ze zich blijkbaar in hun element voelen.

Ik had in mijn tuin op de aarde een rvs-plaatje neergelegd om iets anders te onderzoeken. Maar toen ik dit plaatje na een paar weken weghaalde keek ik in het nest van een oorworm die daarin haar eitjes had gelegd. De eerste foto heb ik gemaakt op 9 maart. Bijna een maand later, op 4 april, kwamen de eerste eitjes uit. Op 23 april verzorgde moeder de kleintjes nog en op 10 mei waren alle oorwormen verdwenen. In plaats daarvan huisde een flinke duizendpoot in de schuilplaats. Deze heeft waarschijnlijk alle oorwurmpjes opgegeten.





donderdag 12 september 2019

520. De vuurwants (Pyrrhocorus apterus)

De vuurwants valt op door zijn mooie felrode kleur en de zwarte patronen die sterk doen denken aan Afrikaanse schilden en maskers. Hij leeft voornamelijk van plantensappen, maar eet ook andere insecten en zelfs soortgenoten. Vuurwantsen kun je meestal aantreffen op lindebomen, maar ook wel op acacia’s en planten zoals het kaasjeskruid. De vuurwants heeft vleugels maar kan daarmee niet vliegen, ze zijn te kort. Vuurwantsen leven samen in groepen. De paring duurt extreem lang, van 24 uur tot wel een week. De reden daarvoor is dat het vrouwtje dan niet met een ander mannetje kan paren. De volwassen exemplaren overwinteren met grote groepen op beschutte plekjes. Bijzonder is ook dat de vuurwants een stof afscheid welke mogelijk toegepast kan gaan worden als antibioticum tegen de MRSA-bacterie.
­Wantsen zijn over het algemeen niet schadelijk voor planten. Plagen zijn meestal een teken dat het natuurlijke evenwicht is verstoord. De plantensappen die ze opzuigen worden gebruikt als afweermiddel tegen vogels en andere insecten. Wantsen zijn prachtige beestjes, zie de foto’s hieronder.

                                       Vuurwants (Pyrrhocorus apterus)

   


                                       Pyjamaschildwants (Graphosoma lineatum)

                                      Roodpootschildwants (Pentatoma rufipes)

woensdag 22 november 2017

427. De Lapsnuitkever en zijn werk


Ik heb een zwak voor de Gegroefde lapsnuitkever (Otiorhynchus sulcatus). Het beestje maakt mooie uitsparingen in het blad van de rododendron en eet voornamelijk van de buitenrand, zoals ook ikzelf de knapperige randjes van een pannenkoek het lekkerst vind smaken. Sommige tuinliefhebbers hebben problemen met de insecten die in hun tuin verschijnen. Ze kunnen moeilijk accepteren dat de planten die ze gezaaid of gekocht hebben, nu door ‘schadelijke’ insecten bezocht worden. Als insecten optrekken naar een plant, heeft dat een gegronde reden. Het zijn namelijk overwegend de zwakke en zieke planten die door hen uitgekozen worden. Vervolgens komt de vraag op: waardoor is die plant ziek geworden en hoe komt het dat deze zo weinig weerstand heeft? Een belangrijke oorzaak die meestal over het hoofd wordt gezien is het feit dat tuinplanten net zoals andere levende wezens, toegewijde zorg en aandacht nodig hebben, naast een gezonde bodem en omstandigheden die rekening houden met specifiek deze soort. De planten die worden aangeleverd en gekocht bij een tuincentrum, een supermarkt of bouwmarkt, hebben meestal een zware periode doorgemaakt, het is handel en verder niks. ’s Morgens even de tuinslang erover en dan hebben we het wel gehad. Vraag het de mensen met ‘groene vingers’ maar. Zij weten dat planten een specifieke plaats behoeven, dat je ze niet zomaar ergens neerzet en dat je er een band mee moet zien op te bouwen. Door voeling, geduld en aandacht zal een plant gaan floreren en zich ontwikkelen tot een krachtige levensvorm waar insecten zoals de lapsnuitkever liever en straatje voor omlopen. 

  

                                Zie ook: blog nr.303  Een Lapsnuitkever in de keuken
                              



woensdag 15 november 2017

426. De Paardenkastanjemineermot (Cameraria ohridella)


De paardenkastanjemineermot (Cameraria ohridella) is een vlindersoort die voorkomt op het blad van de witte paardenkastanje, waarvan de larve leeft van het bladgroen. Hierdoor ontstaan bruine vlekken (zie de afbeelding hierboven) en kunnen de bladeren afsterven. Het afgelopen jaar waren veel kastanjebomen er beroerd aan toe. Al in het voorjaar zag ik bomen met overwegend bruin blad en het begin van de zomer werd ingeluid met verdorde en afgevallen bladeren. De bomen kunnen dat wel enkele jaren volhouden maar op een gegeven moment sterven ze. De laatste jaren treden er in toenemende mate boomziekten op: de iepenziekte bij iepen, de bloedingsziekte en de mineermot bij de paardenkastanjes, de essenziekte, de watermerkziekte bij wilgen, de bladvlekkenziekte bij platanen, de eikenprocessierups, enzovoorts. Ik ga het niet hebben over de werkelijke oorzaken van deze catastrofe, anders val ik in herhaling. Los hiervan kijk ik met verwondering naar de fenomenen en kan ik er ook de schoonheid van zien. De natuur streeft onophoudelijk naar een evenwichtige situatie. Laat een lap grond eens 15 jaar met rust, helemaal niks doen en kijk dan eens wat voor een paradijs er in zo’n korte tijd ontstaat. Een ware apotheek van geneeskrachtige planten die bodem, lucht en water zuivert en een harmonie om zich heen verspreidt waar mens, dier en plant wel bij kunnen varen.


                               Paardenkastanjes hebben iets met ronde vormen, gezien de
                               vruchten en de scheurpatronen van de schors.

 

zaterdag 4 mei 2013

385. Vogelvlooien


Achter in mijn tuin hangt een nestkast voor een pimpelmees. Ik had er dit jaar niet meer in gekeken, maar omdat ik rond die plek de laatste tijd geen vliegbewegingen meer had waargenomen, ging ik eens kijken. Voorzichtig haalde ik het kastje van de boom en hing het direct zo snel als ik kon weer terug, want wat bleek: ik werd besprongen door tientallen uitgehongerde vlooien. Ik klopte ze zoveel mogelijk van me af, maar desondanks zaten ze binnen luttele seconden onder de boorden van mijn mouwen en hals. Zelfs in en op mijn sokken en schoenen zaten vlooien.

Ik had het kunnen weten, want had het al eens eerder meegemaakt bij een verlaten winterkoninkjesnest. De muur en het nestkastje zaten toen vol met zwarte stipjes, wat vlooien bleken te zijn. Enige jaren daarvoor had een boommarter me al eens uit mijn tuinhut verdreven. Ze had haar nest gebouwd op het houten plafond onder de dakpannen. De kleine boommartertjes piesten alles onder. Vanwege de ondraaglijke stank was ik genoodzaakt om tijdelijk te verkassen. Toen de familie na enkele maanden eindelijk vertrok, brak ik daarna nietsvermoedend het plafond open om enkele planken te vernieuwen, waarna honderden vlooien zich uitgehongerd op mij, hun nieuwe gastheer, stortten. Voor veel mensen is het een onbekend fenomeen, vlooien bij vogels. Van katten en honden is het bekend, maar daar houdt het dan mee op. Ondertussen weet ik wel beter. Ook had ik al eens gemerkt dat egels vlooien kunnen verliezen tijdens hun nachtelijke tochtjes. Zeker als er een sterft, dan sterft het meteen ook van de vlooien, die naarstig op zoek gaan naar nieuwe warmte en levend bloed.
Vogelvlooien leven in vogelnesten, zijn 2 tot 5 mm. groot en kunnen ver springen. Ze blijven niet zoals sommige luizen permanent op de vogel zitten, maar komen alleen naar de gastheer om bloed te zuigen. Als de jonge vogels het nest hebben verlaten, blijven er vlooien in het nest achter. Ik stel me voor dat een aantal volgezogen vlooien rustig met hun ogen dicht, liggen uit te buiken in een stil hoekje van het nest. De jonge vogels zijn intussen uitgevlogen. Op een gegeven moment worden de vlooien wakker van de honger, missen hun levende provisiekast en gaan vervolgens naarstig op zoek naar bloed. Zo kan het dus gebeuren dat argeloze voorbijgangers besprongen worden en de vlooien ongemerkt mee naar binnen nemen. Lang houden ze het overigens niet uit bij de mens, vlooien hebben de beschutting van een vacht of verenkleed nodig, maar wel lang genoeg om het een mens lastig te maken.

Merelnest
Kauw die parasieten wegpikt bij een schaap





vrijdag 20 april 2012

322. Houtkevers en hun werk

   Ik zag vanochtend de eerste twee houtkevertjes vliegen in mijn huiskamer, een jaarlijks terugkerend verschijnsel en een vertrouwd beeld. Van april tot en met juni, kruipen de kevertjes (5 mm) van de kleine houtkever (Anobium punctatum) uit het gaatje wat ze geboord hebben. Later in het jaar vliegen dan nog diverse andere soorten uit, zoals de kleine wespenbok (Clytus arietis).
   Door de jaren heen heb ik allerlei houten stokken en bijzondere vormen verzameld waar vaak al larven in zaten. Daarnaast hou ik nogal van houtkevers en boktorren. Ja, ze boren inderdaad gaatjes in het hout, hoewel mijn meubels daarvan meestal verschoond blijven. Blijkbaar eten ze liever van het buitenhout. Het zijn de larven die de gangenstelsels graven, iets wat ze erg kunstig doen en waar ik bewondering voor heb. De kleine houtkever is in ons land de meest voorkomende houtgraver in gebouwen en daarbuiten, hij houdt van de zachtere houtdelen zoals het spinthout. Als de kevertjes met elkaar gepaard hebben legt het vrouwtje eitjes. De larve die uit zo’n eitje komt boort een aantal gangen in het hout. Ongeveer 2 à 3 jaar later verpopt de larve zich en metamorfoseert tot een kevertje welke zich een uitgang boort door het hout om te paren en vervolgens binnen een maand te sterven.
Zulke kevertjes vlogen hier dus vanochtend rond. Ze staan bijna stil in de ruimte terwijl hun vleugeltjes zeer snel bewegen als een kolibrie. Wat ook opmerkelijk is, maar dat is met het blote oog nauwelijks te zien, is dat de dekschilden lange rijen met kleine gaatjes vertonen. Op de foto’s een aantal kunstwerken van diverse soorten houtkevers.


Kleine wespenbok (Clytus arietis)
 

Patroon larve van de kleine houtkever


Gaatjes van de kleine houtkever


Ovale gaatjes van boktor


Boktorlarve in spinthout van grove den


Werk van schorskevers


Uitwerpselenpatroon van schorskevers

 Zie ook:
 blog 243 Houtbewerking door insecten en vogels

en blog 29: Metaforen: de huid van de aarde
 











maandag 2 april 2012

315. De driehoornmestkever



Op de hei zag ik de driehoornmestkever (Typhoeus typhoeus) lopen op zoek naar keutels van konijnen, schapen en andere planteneters. De kever op de afbeelding is een mannetje, herkenbaar aan de drie horentjes, twee grote en een kleine in het midden. Vrouwtjes hebben kleinere uitsteeksels. Ze graaft een gang van anderhalve meter diep, met nog enkele zijgangen waar de mestballetjes worden opgeslagen en ze haar eitjes legt. Samen zorgen ze voor de voedselvoorraad en verzamelen de mest die ze naar hun holletje rollen en naar beneden transporteren. De larven die uit de eitjes komen, leven van deze mest. Mestkevers brengen veel zand vanuit de diepte naar boven, waardoor er kleine heuveltjes ontstaan. Het verschil in kleur van de hoopjes komt door de verschillende bodemlagen waarvan het zand naar boven wordt gebracht.


dinsdag 3 januari 2012

252. Bleke en blauwe pissenbedden


   Vanochtend was ik wat met tuinaarde in huis aan het knoeien en zag tussen de donkere aarde twee bleekwitte pissebeddenlarven. Ze zien eruit als gewone larven met een puntig uiteinde en een kop met twee donkere oogjes, maar daarnaast hebben pissebeddenlarven ook nog 7 paar pootjes en dat is een raar gezicht. Pissebedden lijken mij schrandere beestjes, nachtelijke reizigers die overal op zoek gaan naar vochtige plekjes waar wat te eten valt. Vooral ’s nachts stropen ze de omgeving af naar half vergaan plantaardig materiaal en zetten dat om in humus. Ook graven ze allerlei gangen in vermolmd hout en creëren zo prachtige bouwwerken. Ze houden van gezelligheid en leven in groepjes. Als er erg veel pissebedden vochtig bij elkaar zitten, kunnen ze last krijgen van een virisinfectie. Dan kleuren ze blauw/paars en sterven na enige weken.


vrijdag 28 oktober 2011

224. De kracht van het subtiele

Van links naar rechts: rozenkever, pissebed, oorworm en een motje.
  
   Die beestjes wil je liever niet in je bed hebben. Ik heb ze daar trouwens ook niet gevonden. Ze zaten in een open zakje met basaltmeel wat ik gebruik voor de rozenstruiken. Daar waren ze blijkbaar ingekropen en zijn daarna gestorven. Misschien kunnen ze niet tegen dat spul, je weet nooit zeker wat ze er in de fabriek doorheen hebben gemengd. Maar op deze manier tentoongesteld, is hun leven in ieder geval niet voor niks geweest.
   Het lijkt zo onbetekenend, dat kleine pietepeuterige leven van een insect. Je zou zeggen dat de wereld er niks van merkt dat deze 4 beestjes er niet meer zijn. Wie mist ze? Moeder Rozenkever? Vader Rozenkever en de broertjes en zusjes Rozenkever? Nee, dat zal niet, al weet ik het niet echt zeker. Een paar beestjes meer of minder op onze grote aarde maakt toch zeker helemaal niks uit.
   Nou is het alleen een beetje vervelend voor het ego van de mens dat de wereld niet ophoudt bij de aarde. Onze planeet bevindt zich in een onmetelijk heelal. En dit heelal bevindt zich in een nog onmetelijker heelal, maar dat moet nog ontdekt worden. Het is niet te bevatten. In de oneindige ruimte is onze aarde niet eens een stofje, laat staan dat de mensenwezentjes die er ruzie maken over een olieplasje, ook maar iéts te betekenen hebben. Wij mensen, zijn de pietepeuterige beestjes van het heelal. Als die vier dode beestjes niks hebben voorgesteld, dan stellen wij dus ook niks voor.

   Dit realiserende kunnen we ons eigenlijk net zo goed terugtrekken van al dat opgeblazen gedoe, het van groot, naar groter en grootst willen groeien als land of als mens: carrière maken, geld verdienen, je baden in luxe en weelde, de lakens uitdelen en belangrijk zijn, met je kop op tv. Als dat nu helemaal niks blijkt te betekenen kan dat zomaar ineens een heel bevrijdend gevoel geven, want we hoeven niet meer zo nodig. Er ontstaat ruimte om de andere beestjes die er rondlopen te bekijken en elkaar eens goed met de voelsprieten te betasten en te besnuffelen. De aandacht verbreedt zich en gaat uit naar de omgeving, van ‘ik’ naar ‘wij’. De interesse voor andere mensen en volkeren overschrijdt landsgrenzen en er groeit een gevoel van verbondenheid met al het levende, een besef van diepe eenheid. Ineens betekenen we weer wél iets in het heelal, wijzelf maken bewust deel uit van het grote allesomvattende leven.
   De vier kleine beestjes hierboven waren zelfs ná hun dood in staat om mijn pen in beweging te krijgen. Als levende menselijke wezens moeten wij dan ongetwijfeld ook het bijna onmogelijke, mogelijk kunnen maken.

donderdag 29 september 2011

202. De slak en zijn kunstwerken

Klik op de foto voor een groter beeld.

   Laatst heb ik weer wat patronen gefotografeerd die tuinslakken achterlaten bij het eten van algen. Die patronen fascineren mij enorm, het zijn ware kunstwerken. Slakken hebben een soort van tong met een verharde rand waarop een groot aantal tandjes zitten. Daarmee schrapen ze algen van de ondergrond en raspen blad en plantenresten fijn tot hele kleine snippertjes. Deze tong zit onderaan de kop en heet radula, wat zoveel als krabber betekent. Maar een radula heeft een zeer bijzonder kenmerk. Deze vlijmscherpe tandjes zijn bekleed met magnetiet, een ijzerhoudend mineraal met een hardheid die elders in de natuur bij magnetiet niet voorkomt. De mooie driehoekjes boven zaten op een met algen begroeide glasplaat van een kas. De afbeelding hiernaast is van een schuurdeur waar ik een stoffige mat had uitgeklopt, dat vond de slak dus ook lekker. Het zijn allemaal afdrukken van de radula. Voor meer radula-afdrukken:
blog 46. Slakkensporen





   Zeeslakken zoals de Schaalhoren (Patella vulgata), hieronder afgebeeld, kunnen met hun radula zelfs rotsen afschrapen. Deze rots-bewonende zeeslakken, die een grijs tot groenblauwe schelp hebben, kruipen ’s nachts langzaam over de stenen en grazen de algen af. Langs hetzelfde spoor kruipen ze weer terug naar hun vaste rustplaats voordat deze droogvalt. De Schaalhoren komt algemeen voor langs de kusten van de Noordzee, vooral op plaatsen met veel golfslag. Ze leven in de getijdenzone waar ze zich vasthechten aan rotsen en een stenige ondergrond. Bij eb zuigt de Schaalhoren zich vast door middel van een krachtige spier, die dan niet onbeschadigd is los te krijgen. Door afscheiding van een zuur egaliseert de slak eerst de rots zodat deze heel precies op zijn lichaamsvorm aansluit. Hierdoor krijgt hij een waterdichte afsluiting zodat hij kan blijven leven tot het weer vloed wordt. Ik trof deze slakken aan bij de zuidkust van Ierland. Maar ook bij ons komen ze voor op strandhoofden en havenmuren en verder aan de Noordzeekusten tot in de Middellandse Zee en de Noord-Atlantische Oceaan. Ze kunnen een leeftijd bereiken van 15 jaar.




















Zie ook: 133. De schoonheid van een slak   http://pietschellekens.blogspot.com/2011/05/133-de-slak-als-een-schoonheid.html





zaterdag 30 juli 2011

178. Vlinders


Kleine vuurvlinder (links) en rups van de St Jakobsvlinder (rechts)

Vlinders zijn vrolijk, onbezorgd en genieten met volle teugen van het leven. Een vlinder lijkt wel een etherische voortzetting van de bloem die zich heeft vrijgemaakt van zijn vaste plek. De vleugels van een vlinder zijn teer en fijn geaderd, bedekt met stof van parelmoer, wat eigenlijk microscopisch kleine schubben zijn. Vlinders houden van nectar, van dauw en de zon. Ze hebben een reukorgaan waarmee ze soortgenoten op kilometers afstand kunnen waarnemen en vinden. Het mannetje van de nachtpauwoog kan een vrouwtje zelfs op 10 kilometer afstand waarnemen. Het zintuig om te proeven zit bij vlinders aan de poten. Daaraan bevinden zich sensillen die de etherische oliën en stoffen herkennen van de plant waarop een vlinder zit. Met zijn poten bepaalt een vlinder ook de windrichting. Zoals mensen wel een natte vinger in de lucht steken, zo steekt de vlinder vaak een poot omhoog voordat hij opstijgt. Die windrichting is belangrijk omdat het mannetje tegen de wind in gemakkelijker het vrouwtje kan vinden. Sommige vlinders trekken net als vogels duizenden kilometers ver weg en vliegen tot 2 kilometer hoogte. Hun navigatiesysteem zit o.a. in de antennes. Ook vliegen ze op zicht en vinden hun weg door zich te oriënteren op landschapskenmerken zoals rivieren, bergpassen en wegen. Vlinders maken daarnaast gebruik van de zon, de sterren en het aardmagnetisch veld. Al dit wonderlijke vernuft en nog veel meer, bevindt zich in zo’n licht fladderend vlindertje.


                                                                  Distelvlinder


                                                    Distelvlinder op Echinacea


Duinparelmoervlinder en Argusvlinder



Klein geaderd witje


Gehakkelde aurelia



Landkaartje



Landkaartje


Atalanta


Paardenbloemspanner



Boomblauwtje



Komma





Brandnetelmot