Posts tonen met het label de rivier. Alle posts tonen
Posts tonen met het label de rivier. Alle posts tonen

vrijdag 2 december 2011

242. Waalstrandjes

   Laatst was ik bij de Waal, de grootste arm van de Rijn. Op dat moment had de Rijn bij Lobith de laagste waterstand ooit bereikt, n.l. 6.89 meter boven A.P. De vaargeul wordt daardoor steeds smaller wat goed te zien is aan de lange rij schepen die achter elkaar varen. Er is meer vaarverkeer dan normaal omdat de schepen minder zwaar kunnen worden geladen. Wat een drukte en wat is het water vies! Op de foto hieronder zie je de bezonken zwarte roetdeeltjes op het zand, afkomstig van de scheepsmotoren. De strandjes tussen de kribben zijn momenteel drooggevallen, voor mij een interessant gebied. Daarnaast stond er die dag een stevige wind, wat betekent dat er meer structuren en patronen in het zand worden gevormd.
   Tussen de kribben zit een afstand van ongeveer 200 meter, de lengte is 90 meter. Meestal liggen de strandjes daartussen onder water, de situatie nu is dus uitzonderlijk te noemen. Ook waard om te vermelden: de getijden van de zee zijn merkbaar tot Zaltbommel waar nog altijd een getijverschil van 10 centimeter meetbaar is!









dinsdag 13 september 2011

191. Stromingspatronen en bodemgolven in rivier en zee


   De bodem van de zee of een rivier is zelden egaal, ook al kan dit soms zo lijken. De ogenschijnlijke vlakheid maakt meestal deel uit van een uitgestrekt golfpatroon met toppen en dalen. Door het stromende water van een rivier of de getijdenwerking van de zee en allerlei andere bewegingen en verplaatsingen van water, ontstaan er regelmatige golfpatronen in het zand. Grofweg zijn er drie afmetingen van bodemgolven te onderscheiden:
   1.  zandribbels
   Ze hebben een golflengte van enkele centimeters tot meters en vertonen zich meestal op een nat strand of in waterlopen en kreekjes. Deze zandribbels 'wandelen' relatief snel, dit kun je onder je ogen zien gebeuren.
   2.  zandgolven
   Deze hebben een golflengte van tien tot enkele honderden meters. Ze komen voor in brede riviermondingen en in de zee. Zandgolven verplaatsen zich een stuk trager, van een aantal maanden tot enkele jaren, afhankelijk van stroomsterkte, plaats en diepte.
   3.  zandbanken
   Zandbanken kunnen in zee golflengtes van vele kilometers bereiken. Ze doen er soms vele jaren over om zich te verplaatsen. (De bodemgolven in rivieren worden soms ook wel zandbanken genoemd, dit geldt ook voor de aangeslibde binnenbochten in meanderende rivieren en beekjes.)


   Het kenmerk van alle bodemgolven is dat ze een regelmatig patroon laten zien met gelijke afstanden tussen toppen en dalen. De stroming van het water veroorzaakt een transport van zand. Hierdoor verplaatsen de bodemgolven zich, waarbij ligging, vorm en patroon voortdurend veranderen.
   De bodemgolven op het strand en in zee, worden vooral door de golfbeweging van het water veroorzaakt en deze weer door de getijdenwerking en de wind.Bij de bodemgolven van de rivier is voornamelijk het stromende water de drijvende en vormende kracht (hoewel ook grote schepen invloed op de vorming en migratie van zandgolven kunnen hebben).




190. Waarom beekjes en rivieren meanderen


Vanaf de hoge bergtoppen naar de lager gelegen gebieden ontstaan er door neerslag kleine stroompjes die zich organiseren tot beekjes en rivieren. Deze vloeien vanzelf naar het laagste punt en vullen uiteindelijk de zeeën. Aan het begin van een rivier is de typische vertakkingsstructuur zichtbaar. Deze ontstaat doordat bij de oorsprong allerlei kleine waterloopjes bij elkaar komen in grotere stromen, welke weer samenvloeien tot beekjes en uiteindelijk een rivier vormen.   
   De rivier meandert door het landschap. Waarom niet recht omlaag?
Dat heeft te maken met de weerstanden die de stroom tegenkomt op haar weg naar beneden. Het water kiest de weg van de minste weerstand en zal uitwijken voor objecten zoals bijvoorbeeld een boom of rots. Is de stroom eenmaal naar bijvoorbeeld rechts uitgeweken, dan zal de volgende bocht noodzakelijkerwijs naar links moeten gaan om de lijn naar beneden te kunnen blijven volgen. Op een gegeven moment is de waterstroom een grote brede rivier geworden. Soms is de bodem bepalend voor de richting en dan weer het water, welke door de zwaartekracht altijd naar het diepste punt wil. Het resultaat is een golvende of meanderende beweging. Het meanderen wordt versterkt door het aanslibben van zand en grind in de binnenbochten en het afkalven van de oevers in de buitenbochten. De bochten worden hierdoor steeds scherper en kunnen op een gegeven moment zichzelf weer tegen komen. Er kan dan een lus ontstaan en als deze doorbreekt, een eilandje in de rivier. Dit verschijnsel komt vooral voor bij smalle en diepe stromen. Bij brede ondiepe rivieren ontstaan overal zandbanken door de aanvoer van materiaal en het meanderen. Net als bij de rivierdelta’s vindt er een sterke ophoping van slib plaats die weerstanden oproepen waardoor de waterloop zich gaat vertakken. De tegenwoordige beken en rivieren zijn door de mens ingetoomd en gecultiveerd. Er bestaat een constante controle inclusief technische waterwerken, waardoor  rivieren en beken zich zoveel mogelijk gedragen zoals wij het willen.
   De loop van een rivier wordt voornamelijk bepaald door de oorsprong. Wat daar gebeurt is bepalend voor de rest van zijn loop. Dit geldt voor alle organische groei, voor een baby, een boompje, maar ook voor de rivier. Als er in de bovenloop van een rivier veel regen valt, of in de gebieden die de zijtakken van de rivier voeden, zal dat effect hebben op beneden. De loop van een rivier en de vorm van de delta worden in principe dus sterk bepaald door de gebeurtenissen bij de oorsprong en het verdere verloop.

Het is natuurlijk erg interessant om eens de geboorte van een rivier mee te maken. Nou, dat kan! In miniatuur is dit proces elke dag aan zee te zien tijdens het verloop van vloed naar eb. De bodem is dan verzadigd met water dat door de vloedgolven op het strand is geworpen. Als het water bij eb daalt ontstaat er op het strand een terugstroming van water. Het welt overal op en vloeit in kleine zich vertakkende stroompjes weer in grotere stromen naar de zee, precies het proces zoals hierboven al is beschreven. Als het strand echter erg vlak is met overwegend een gelijke zandkorrelgrootte en zonder obstakels zoals kiezels, schelpen en dergelijke, tja, dan doet dit verschijnsel zich waarschijnlijk niet voor en zult u op zoek moeten gaan naar een betere plek.





Zie ook blog nr. 43:


donderdag 20 januari 2011

68. De levende rivier











     Ik voer afgelopen dinsdag met een bootje op de Waal bij Tiel. De Waal die bijna als een zee is geworden, zo wijds en uitgestrekt, met aan de horizon enkele bomen en lantaarnpalen die nog net boven het water uitsteken. Het water van de Rijn welke hier Waal heet, is inmiddels alweer aan het dalen maar het is nog steeds een imposant gezicht.
    
Rivieren zijn de levensaders van de aarde, ze voeden het land. Niet alleen met voedingstoffen en mineralen, maar vooral met levenskracht, de kracht die alles doet leven. De kracht die verzegeld is in bijvoorbeeld het zaadje van een boom en voluit kan gaan stromen als water, aarde, licht en lucht een verbond met elkaar aangaan. De vier elementen zijn niks zonder deze levenskracht. Hoe je ze ook vermengt, als de levenskracht er geen deel van uitmaakt blijft het dode stof. Dit essentiële vijfde element uit zich bij mensen o.a. als creativiteit. Wij kunnen de meest geavanceerde computers ontwerpen en de hersenen van een mens zeer nauwkeurig imiteren, maar een werkelijk creatieve computer zal er nooit komen. De levenskracht behoort tot het grote mysterie waarop de mens geen vat kan krijgen. Gelukkig maar.


vrijdag 12 november 2010

43. Gelijkenissen tussen boom en rivier


Rivieren vinden hun oorsprong vaak op hoger gelegen land zoals bergen en heuvels. Door neerslag, smeltende sneeuw of smeltwater van een gletsjer ontstaan er bronnen, waterlopen en beekjes die kunnen uitgroeien tot grote brede rivieren. Het water stroomt uiteindelijk in de zee. Als men er van bovenaf op kijkt is er een sterke gelijkenis te zien met een boomvorm. Boom en rivier zou men kunnen verdelen in drie hoofdvormen: 1. begin, 2. middengebied 3. einde.

1. De oorsprong van een rivier, de bronnen en kleine stroompjes op de berg, zijn als de haarwortels van een boom.  
2. Deze waterstromen groeien uit tot beekjes en monden tenslotte uit in een hoofdstroom, de rivier.  Bij de boom groeien de haarwortels uit tot steeds dikkere wortels die opgaan in de boomstam.
3. De zich vertakkende kruin reikt naar de oneindige hemel en lijkt daarmee op de vertakkingen van een rivierdelta waar het water uitmondt in de onmetelijke zee.

Tussen de bron en de zee beweegt zich de rivier.
Tussen de wortels en de kruin vormt de stam het middengebied.
Zowel water als boom maken deel uit van een kringloopproces.

Wat daarnaast nog opvalt in deze gelijkenis is dat fase 1 en 3 een sterke verwantschap laten zien: het wortelstelsel heeft dezelfde vertakkingen als de boomkruin, waterlopen en beekjes in de bovenloop van een rivier vertonen gelijksoortige vertakkingen in de benedenloop. Daartussen bevindt zich een stromend middengedeelte dat begin en einde met elkaar verbindt.

Afb. Vertakkingspatroon in het zand aan zee