zondag 5 juni 2011

145. Spiralen in de natuur


   In het dagelijkse leven worden we regelmatig geconfronteerd met een begin en een einde, met nieuw leven en de dood. De vraag die zich daarbij kan voordoen is: bestaat er wel een absoluut begin of einde en/of gaan deze mogelijk in elkaar over? Zou de dood de grens markeren van een soort rusttoestand zoals de slaap, waarbij we er even niet lijken te zijn en we de dag verwerken om uiteindelijk gegroeid weer aan een nieuwe dag te beginnen?
   Ik ga ervan uit dat de kosmische ontwikkelingsprocessen zich afspiegelen in de natuur op aarde. Dat we door bestudering van de natuur  te weten kunnen komen hoe het grote geheel in elkaar zit. Ik wil hierbij de aandacht vestigen op de verschijnselen bij het begin van nieuw leven in de natuur. Duidelijk waarneembaar is dan steeds een middelpunt waaruit zich een spiraal ontvouwt. Dat gebeurt zowel in het groot, bijvoorbeeld bij een sterrennevel, als in het klein bij een spermatozoïde. Het middelpunt als dynamisch mannelijk principe verbindt zich met de omgeving, de ruimte, het vrouwelijke principe. De zichtbare ‘explosie’ die deze samenkomst teweegbrengt noemen we leven. Zo zou het ongeveer kunnen zijn.
   Zoals wij mensen in- en uitademen, zo ademt de omringende natuur ook in en uit. Datgene wat men de oerknal noemt is de grote uitademing van de kosmos, waar noodzakelijkerwijs weer een samentrekkende beweging op moet volgen, de grote inademing. En daarna...... dan gaat het net als bij ons mensen, dan vindt er iets magisch plaats. Tussen in- en uitademing is er een moment van niets. Het geleefde leven wordt verwerkt. In de daarop volgende uitademing is al het voorgaande opgenomen en kan er werkelijk nieuwe ontwikkeling en dus nieuw leven plaatsvinden.
   Het voorgaande samenvattend zou de volgorde er zo uit kunnen zien:
1. het niets of allesomvattende en doordringende.
2. het middelpunt en de ruimte daaromheen als het mannelijke en vrouwelijke.
3. vanuit de verbinding van beide ontstaat de schepping die zich manifesteert als een werveling, een spiraal met in het verlengde daarvan de golf.
   De ons omringende natuur is een afspiegeling van de kosmos, veel van wat begint en ontspringt is spiraalvormig. Voordat de bloem zich opent is er de knop waarbinnen de bloem zich vaak spiraalvormig heeft gevouwen. Zo is het ook met veel nieuwe bladeren. Binnen de verdere ontwikkeling van een plant stopt de spiraalvorm niet echt, deze rekt zich uit. Dat is te zien bij veel plantenstengels en de plaatsing van de blaadjes bij diverse planten en ook bij bomen die vaak onopgemerkt om hun as draaien. Tijdens het ontstaansproces van een menselijk lichaam zijn er spiralen zichtbaar bij o.a. de spermatozoïden, de foetus en de gedraaide navelstreng. Ook de ruggengraat en veel spieren vertoonen een lichte uitgerekte werveling.
   Hieronder volgen een klein aantal voorbeelden van spiraalvormen die in de natuur voorkomen.















Geen opmerkingen: